Naast de Brahmapoutra
De mensen temidden van wie wij wonen, zijn bijna allemaal moslim. Er is een kleine hindoe-gemeenschap en er zijn slechts enkele christenen. Toen we in 1987 in Mymensing aankwamen, hebben we schooltjes opgericht voor arme mensen om zo met hen een relatie van vertrouwen aan te gaan.
Toentertijd gingen zeer weinig kinderen uit de arme woongebieden bij ons in de buurt naar school. In deze zeer dichtbevolkte woongebieden hebben we al snel veel contacten kunnen leggen. Vanaf het moment dat de kinderen naar school gingen, trad er een mentaliteitsverandering op. Veel riksja-trekkers en koelies zijn er maar wat trots op dat hun kinderen, ondanks hun grote armoede, naar school kunnen gaan. En ze vertellen graag en met trots hoe zij al hun eigen naam kunnen schrijven en eenvoudige zinnen kunnen lezen. In het begin hadden we avondlessen voor de ouders, maar later kregen we toch beter door waar onze inzet het meest noodzakelijk was.
Bangladesh is een land waar qua ontwikkelingswerk veel tot stand is gebracht, ook al gebeurde dit ogenschijnlijk op een wat chaotische manier. In de stad Mymensing heeft nu bijna elk woongebied zijn eigen school. Wij houden ons nu alleen nog maar bezig met drie scholen vanaf de kleuterschool tot klas 2. Wij hopen zo de kinderen de aanzet te geven om verder te leren op een school in de buurt, waar ze anders niet snel zouden worden toegelaten. We zijn dus doorgegaan met drie grotere 5-klassige scholen. In totaal hebben we meer dan 1.500 leerlingen.
De scholen zijn ook plaatsen waar jonge docenten – moslim, hindoe of christen – leren samenwerken. Dit zijn allemaal studenten die geld moeten verdienen om hun studie te betalen; ze geven twee tot vier jaar les, soms nog langer. Deze studenten begrijpen dat om zichzelf te helpen, ze óók wat van zichzelf moeten geven. Ze geven hun tijd om scholen voor arme kinderen draaiende te houden. Ze doen dit zo goed dat ze respect weten af te dwingen bij veel oudere en ervaren leraren van de omringende scholen voor voortgezet onderwijs, die hun komen vragen om de beste leerlingen naar hun school te sturen na het behalen van het diploma!
Deze jonge mannen en vrouwen ontdekken zo niet alleen maar hoe plezierig het is om samen goed werk af te leveren. Door zich dienstbaar te maken voor de armen, wordt hun gevoel versterkt dat ze tot één grote mensenfamilie behoren. Elke maand hebben we met hen een werkbespreking en praten dan over praktische schoolzaken, maar we proberen hen ook een houding aan te kweken die hen ontvankelijk maakt voor rechtvaardigheid, vrede, liefde voor de armen evenals onderling respect voor de godsdienst en cultuur van de ander. Dit is een wezenlijk onderdeel van de ontwikkeling dat vaak wordt vergeten, en niet alleen in de arme landen.
Binpara
Ons huis ligt vlakbij de Brahmapoutra. Deze rivier ontspringt in het Himalaya-gebergte en is voor de hindoes één van de heilige rivieren van het subcontinent. Aan de andere kant van de oever waar wij wonen, beginnen de dorpen met hun rijstvelden, hun dichtbegroeide bamboeveldjes, hun huisjes van bamboe met plaatijzeren dak. De dorpen die het dichtst bij de rivier liggen, hebben elk jaar veel last van overstroming. De mensen zijn arm en werken in de stad Mymensing als koelie, riksja-trekker en dagloner. De vrouwen vinden soms werk als huis- of wasvrouw bij middenklassengezinnen. Ze werken voor een zeer laag loon: voedsel en 5 tot 6 dollar per maand.
Onze eerste school is gestart in Binpara in 1988, een hindoewoonwijk van een van die dorpen aan de oever van de rivier. Er waren nogal wat problemen op het gebied van drank, onderlinge ruzies en soms goklust. Wij hebben er een huisje gebouwd – uiteraard van bamboe met een plaatijzeren dak – op een terrein dat vlakbij de rivier lag. De kinderen begonnen te komen, ook al ging dat bij sommigen met grote aarzeling gepaard. Elke morgen ging een leraar de huizen langs om de ouders aan te moedigen hun kinderen naar school te sturen. De ene dag kwamen ze om de andere dag weer thuis te blijven. We hebben het klaargespeeld om met dezelfde kleine groep het schooljaar af te maken. Daarna zijn de kinderen naar klas 2 overgegaan. De strijd was gestreden en wij hadden het gevecht gewonnen.
De houding van de ouders in dit gebed en van de moslims in de buurt is langzaamaan veranderd. Ze accepteerden steeds meer om met ons op school te komen praten over hun drank- en gokproblemen en over de problemen van huiselijk geweld. Ze zijn begonnen om regelmatig geld te sparen – enkele taka’s per week – dat ze bij ons in bewaring gaven. Moeders kwamen naar ons toe voor naailessen en om te leren hoe ze de kleren van hun kinderen in goede staat konden houden. Vaders begonnen zich te interesseren voor hun kinderen en vonden ook de weg naar onze school, die zo langzamerhand het centrum van het gebied werd.
Na enkele jaren moest de school verplaatst worden omdat het rivierwater het gebied dreigde te eroderen. Nu is dat gedeelte van het dorp compleet verdwenen. De nieuwe school heeft meer dan 300 leerlingen die uit de wijde omgeving van Binpara afkomstig zijn: sommigen zijn hindoe, maar de meesten zijn moslim. Er zijn 14 jonge docenten.
Jaar na jaar, hebben we de school na overstromingen gerepareerd. We hebben klaslokalen bijgebouwd. Onlangs hebben we een heel gebouw kunnen overplaatsen dat afkomstig was van een andere school die gesloten werd, omdat het stadsbestuur een slumgebied ontruimde. Maar Binpara is een dorpsschool gebleven, gemaakt van bamboe en ijzeren golfplaten. De bomen zijn gegroeid en de docenten denken erover om een kleine bloementuin in te richten. De verandering gaat gestaag door en de school gaat steeds meer op in haar omgeving.
Ook de mentaliteitsverandering gaat langzaam de goede kant op. Alle ouders geven nu hun kleine bijdrage aan school. Ze begrijpen dat onderwijs belangrijk is en ze vinden het fijn dat de school perspectief biedt. In Bangladesh verspreidt zich steeds meer een fundamentalistische levenshouding. Koranscholen schieten als paddestoelen uit de grond. De tegenstellingen worden er aangescherpt; er is minder tolerantie in denken en doen met uitsluiting van andersdenkenden. Wij proberen door te gaan zoals wij begonnen zijn, door samen te werken in een geest van groot onderling respect.
De Mohammed Abdul Aziz school
Toen we in Mymensing aankwamen, kwam een oude man ons helpen met houthakken voor de keuken. We begonnen hem ‘oom’ te noemen, ‘tsja tsja’ in het Bengaals. Zo ontstond een lange en diepe vriendschap.
Nu is hij een oude, wat kromgebogen man, maar hij komt ons nog elke week bezoeken vanuit zijn dorp Borovila, ongeveer 5 kilometer ten noorden van de stad. Hij komt te voet en, als hij weer weggaat, zegt hij altijd: “Elke avond als ik mijn ramaz (gebeden) zeg, bid ik voor ieder van jullie. God geeft jullie en mij dezelfde boodschap: heb elkaar lief, help de armen en leef samen in vrede.”
In 1990 zijn we een school begonnen in zijn dorp. Deze school is naar hem genoemd: de Mohammed Abdul Aziz school. Het gebied waarin de school lag was zeer arm en niemand ging naar school. De bewoners, allemaal moslim, waren nogal bijgelovig, bepaald niet ruimdenkend, en stonden nogal wantrouwend tegenover christenen. De eerste jaren waren dus moeilijk. Als ik er met de fiets op bezoek kwam, renden de kinderen achter me aan en schreeuwden: “Christen!”, wat geen compliment was! Toen de Golfoorlog uitbrak, zeiden de mensen tegen ‘tsja tsja’: “Jij bent met de mensen van Bush, je bent een verrader!” Maar hij bleef vertrouwen in ons hebben en met ons bevriend. Nu telt de school 300 leerlingen
Onder de docenten zijn er altijd twee christenen. Dit op uitdrukkelijk verzoek van ‘tsja tsja’. Hij benadrukt telkens hoe belangrijk het is dat er twee niet-Bengaalse, christelijke docenten werkzaam zijn. Deze twee behoren tot een etnische minderheidsgroep, de Garo’s, die bijna allemaal christen zijn.
Het schoolplein is altijd overvol met vaders van de leerlingen wanneer het schooljaar geopend of afgesloten wordt, bij het bekend maken van de examenuitslag en wanneer de toezichthouders hun bijeenkomst hebben. Ook de imam van de plaatselijke moskee is aanwezig. Ook de moeders zijn welkom; sommige moeders komen inderdaad, maar houden zich wat op de achtergrond of beluisteren alles vanuit de klaslokalen. De laatste tijd zijn ze zelfbewuster geworden. Nu gaan ze zitten op banken die buiten het klaslokaal staan, op een rij naast hun echtgenoten en broers.
Jagaroni
Sinds de Engelsen en 1947 India hebben verlaten en het subcontinent opgedeeld is, zijn hindoes stelselmatig uit Bangladesh weggetrokken naar India. Wanneer er in India conflicten uitbraken tussen hindoes en moslims, dan worden de hindoe-dorpen in Bangladesh aangevallen, worden hun eigendommen geplunderd en de uittocht komt dan weer op gang. Degenen die blijven zijn of heel arm of zijn zeer rijk. Onder hen zijn de outcasts, die de straten schoonmaken en de toiletten reinigen. Mahatma Gandhi noemde hen ‘Harijans’, kinderen van God. Deze Harijans leven vlakbij ons; hun taak is het om kadavers van dieren op te ruimen en ze begraven de doden. Hun woonwijk is vervuild en dronkenschap is er schering en inslag. Ze staan onderaan op de maatschappelijke ladder.
Op die plek hebben wij in 2002 een school opgericht, in een zaaltje van bamboe en op een open plek tussen de hutten. Eerst hebben we met een groep jongeren de plek schoongemaakt. Toen we de school openden, kwamen er meteen een zestigtal kinderen, maar verschillende haakten al snel af.
Zoals overal hier moeten de docenten ’s morgens op pad om kinderen op te porren om naar school te komen. Soms komen dronken ouders naar school om hun kinderen weer mee te nemen, alsof ze zo willen zeggen dat ze alles bij het oude willen laten in hun kleine wereldje.
Desondanks heeft de school nu 120 leerlingen. De school heeft al twee lichtingen van klas 5 met diploma en al afgeleverd. Sommigen zijn naar de middelbare school gegaan en voor velen, vooral meisjes, betekent dit ingaan tegen de tradities en ouders die hen niet begrijpen. De Jagaroni school ligt in de stad en ontwikkelt zich richting basisschool. De school ligt in een stadsgedeelte dat heel klein is en omringd wordt door andere scholen.
Bolashpour
De inwoners van Bolashpour woonden vlak bij ons, in een achterbuurt die op een dorp leek en naast de rivier lag. Op een dag, ongeveer 6 jaar geleden, besloot de regering dat ze moesten verkassen. De politie kwam om de hutten af te breken van de mensen die niet snel genoeg waren vertrokken. Er werd een nieuwe plek gevonden bij de rivier op een lager gelegen terrein dat elk jaar onderliep in het regenseizoen.
Soms hebben de mensen twee of drie maanden moeten kamperen op een hoger gelegen terrein en moesten ze hun hutten achterlaten ten prooi aan het water van de Brahmapoutra. Maar de regering heeft met hulp van het leger het terrein opgehoogd en er lange rijen golfplaten huisjes gebouwd. Nu is deze wijk geordend en schoon en de mensen hebben een comité opgericht dat zeer actief is. We hebben hun beloofd dat we een school zouden stichten, toen ze wegtrokken van de rivieroever. Deze school telt nu 350 kinderen en moet in de toekomst worden uitgebouwd omdat de regering in de wijk meer hutten van golfplaten aan het bouwen is.
Zeven in totaal
In totaal zijn er zeven scholen en volgend jaar komt er eentje bij. Elke school heeft haar eigen karakter en bijzondere kenmerken. Ouders, docenten en kinderen kijken er anders tegenaan. Voor ons is het een stuk van de pelgrimage van vertrouwen op aarde die vele, zeer vele gezichten heeft!




