Méditations mensuelles
"Als je wist wat God wil geven"
Johannes 4:5-15In een eenvoudige ontmoeting bij een bron onthult Jezus precies wat zijn opdracht is en wie hij is. Volgens alle mores van de wereld om hen heen, is de vrouw die water komt putten, niet het gezelschap waarin Jezus behoort te verkeren. In de eerste plaats is zij een Samaritaanse en maakte ze daardoor deel uit van een groep die al eeuwenlang in concurrentie was met de Joden. Ten tweede is ze een vrouw: het is niet aan haar om een gesprek te hebben met een rabbi of welke onbekende man dan ook (zie 4:27). En dan is ze waarschijnlijk ook nog eens een vrouw met een zekere reputatie, een "zondaar": ze gaat rond het middaguur naar buiten, wanneer ze er vrijwel zeker van kan zijn dat ze niemand tegenkomt onderweg.
Zonder te aarzelen zoekt Jezus de verbinding met deze gemarginaliseerde vrouw. Door zijn eenvoudige menselijk behoefte aan drinken aan te geven, laat hij blijken dat hij de vrouw respecteert en behandelt hij haar als gelijke, of zelfs als iemand die boven hem staat, want zij heeft iets wat hij nodig heeft. Haar menselijke waardigheid wordt daardoor volledig hersteld, en er wordt de basis gelegd voor een gemeenschap die zich niets aantrekt van de conventionele grenzen.
Deze gemeenschap is echter in iets anders geworteld dan in een aardig gebaar van de ene mens naar de ander. Hoewel Jezus in eerste instantie een beroep doet op de goede wil van de vrouw, haar generositeit, is dit slechts een eerste stap om haar te laten beseffen dat het allerbelangrijkste is, dat je weet te ontvangen. Hij laat haar een God zien die bovenal een gevende God is, een overvloeiende bron van leven, en hemzelf als de enige die ervoor kan zorgen dat deze bron opwelt. De ontmoeting met Jezus en zijn vraag om iets te mogen drinken zorgen ervoor dat de vrouw haar eigen dorst ontdekt, waardoor er in haar een ruimte ontstaat die alleen God kan vullen.