Monthly Bible
Commentaries

Januari 2026

"Als je wist wat God wil geven"

Johannes 4:5-15
Zo kwam hij bij de Samaritaanse stad Sichar, dicht bij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had, waar de Jakobsbron is. Jezus was vermoeid van de reis en ging bij de bron zitten; het was rond het middaguur. Toen kwam er een Samaritaanse vrouw water putten. Jezus zei tegen haar: "Geef mij wat te drinken." Zijn leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om eten te kopen. De vrouw antwoordde: "Hoe kunt u, als Jood, mij om drinken vragen? Ik ben immers een Samaritaanse!" Joden gaan namelijk niet met Samaritanen om. Jezus zei tegen haar:  "Als u wist wat God wil geven, en wie het is die u om water vraagt, zou u hém erom vragen en dan zou hij u levend water geven." "Maar heer," zei de vrouw, "u hebt geen emmer, en de put is diep - waar wilt u dan levend water vandaan halen? U kunt toch niet meer dan Jakob, onze voorvader? Hij heeft ons die put gegeven en er zelf nog uit gedronken, en ook zijn zonen en zijn vee." Iedereen die dit water drinkt zal weer dorst krijgen," zei Jezus, "maar wie het water drinkt dat ik hem geef, zal nooit meer dorst krijgen. Het water dat ik geef, zal in hem een bron worden waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft." "Geef mij dat water, heer," zei de vrouw, "dan zal ik geen dorst meer hebben en hoef ik ook niet meer hierheen te komen om water te putten."

In een eenvoudige ontmoeting bij een bron onthult Jezus precies wat zijn opdracht is en wie hij is. Volgens alle mores van de wereld om hen heen, is de vrouw die water komt putten, niet het gezelschap waarin Jezus behoort te verkeren. In de eerste plaats is zij een Samaritaanse en maakte ze daardoor deel uit van een groep die al eeuwenlang in concurrentie was met de Joden. Ten tweede is ze een vrouw: het is niet aan haar om een gesprek te hebben met een rabbi of welke onbekende man dan ook (zie 4:27). En dan is ze waarschijnlijk ook nog eens een vrouw met een zekere reputatie, een "zondaar": ze gaat rond het middaguur naar buiten, wanneer ze er vrijwel zeker van kan zijn dat ze niemand tegenkomt onderweg.

Zonder te aarzelen zoekt Jezus de verbinding met deze gemarginaliseerde vrouw. Door zijn eenvoudige menselijk behoefte aan drinken aan te geven, laat hij blijken dat hij de vrouw respecteert en behandelt hij haar als gelijke, of zelfs als iemand die boven hem staat, want zij heeft iets wat hij nodig heeft. Haar menselijke waardigheid wordt daardoor volledig hersteld, en er wordt de basis gelegd voor een gemeenschap die zich niets aantrekt van de conventionele grenzen.

Deze gemeenschap is echter in iets anders geworteld dan in een aardig gebaar van de ene mens naar de ander. Hoewel Jezus in eerste instantie een beroep doet op de goede wil van de vrouw, haar generositeit, is dit slechts een eerste stap om haar te laten beseffen dat het allerbelangrijkste is, dat je weet te ontvangen. Hij laat haar een God zien die bovenal een gevende God is, een overvloeiende bron van leven, en hemzelf als de enige die ervoor kan zorgen dat deze bron opwelt. De ontmoeting met Jezus en zijn vraag om iets te mogen drinken zorgen ervoor dat de vrouw haar eigen dorst ontdekt, waardoor er in haar een ruimte ontstaat die alleen God kan vullen.

01
Hoe kunnen we, door eenvoudige gebaren, tekenen van gemeenschap creëren die zich niets aantrekken van de grenzen in de samenleving, en waarin de waardigheid van de ander tot haar recht komt?
02
Wat helpt je om je open te stellen voor wat God je wil geven, om je eraan te herinneren dat God alleen iets van je vraagt om je nog meer te kunnen geven?

Recent meditations